
De afbeeldingen op deze site mogen op geen enkele manier gebruikt worden zonder onze schriftelijke toestemming.

|
Ikoon nr 73
Formaat : 32 x 24 cm.
Lindenhout
Vergulde aureolen. Ei tempera.
In de «Geschiedenissen van de twaalf stammen van Israël» kwam Joachim voor, een zeer rijk man, die zijn offers in dubbele hoeveelheden gaf want hij zei: «Wat ik te veel breng zal voor heel het volk zijn en wat ik aan de Heer als een offer voor de vergeving van de zonden breng, is bedoeld voor mijn verzoening». Nu was de grote dag van de Heer 4 nabij ende kinderen van Israël brachten hun gaven. En Ruben trad op hem toe en zei: «Het is je niet geoorloofd je gaven als eerste te geven omdat je geen kinderen in Israël verwekt hebt».
En hij dacht aan aartsvader Abraham hoe God hem in zijn laatste dagen Izaak nog als zoon had gegeven. En Joachim werd erg bedroefd en liet zich niet aan zijn vrouw zien maar begaf zich in de eenzaamheid. Daar sloeg hij zijn tent op en vastte veertig dagen en veertig nachten en hij zei bij zichzelf: «Ik zal niet teruggaan om eten of drinken te halen totdat de Heer mijn God naar mij heeft omgezien. Mijn gebed zal mij tot eten en drinken zijn.» Ondertussen hief zijn vrouw Anna een tweevoudige klaagzang aan en jammerde: «Ik jammer omdat ik weduwe ben en ook nog om mijn kinderloosheid». Toen brak de grote dag van de Heer aan en Judith haar dienstmeisje zei: «Hoe lang zal uw ziel nog gebogen zijn? Zie, de grote dag van de Heer is nabij en het is u niet geoorloofd om te weeklagen. Maar neem deze hoofdband die de meesteres op het werk me heeft gegeven. Ik mag hem niet dragen omdat ik uw slavin ben en er een koninklijk teken op staat.»
|
En Anna zei: «Ga van me weg; dat doe ik niet. De Heer heeft me diep vernederd. Misschien heeft een bedrieger je dit gegeven en ben je gekomen om mij in jouw zonde te laten delen.» Daarop zei Judith: «Waarom zou ik je nog meer kwade dingen toewensen nu de Heer je schoot al heeft toegesloten door je geen kinderen in Israël te geven.»
En Anna werd zeer verdrietig maar ze deed haar rouwkleren uit, waste haar hoofd, trok haar bruidskleed aan en ging omstreeks drie uur 's middags in haar tuin wandelen. Daar zag ze een laurierboom, ging eronder zitten en smeekte de Heer met deze woorden: «O God van onze vaderen, zegen mij en verhoor mijn gebed zoals U de schoot van Sara gezegend hebt en haar Izaak als zoon gegeven hebt.»
En toen ze zuchtend haar ogen naar de hemel opsloeg, zag ze een mussennest in de laurierboom en ze hief bij zichzelf een klaagzang aan: «Helaas, wie heeft me verwekt en welke schoot heeft me gebaard, want ik ben geboren als iemand die bij de kinderen van Israël wordt vervloekt en ze hebben me uit de tempel van de Heer verdreven. Wee mij, met wie ben ik te vergelijken? Ik ben niet te vergelijken met de vogels in de lucht, want ook de vogels in de lucht zijn vruchtbaar voor U, Heer.
Wee mij, met wie ben ik te vergelijken? Ik ben niet te vergelijken met de stemloze beesten, want ook de beesten op het veld zijn vruchtbaar voor U, Heer. Wee mij, met wie ben ik te vergelijken? Ik lijk niet op het water, want ook dit water is vruchtbaar voor U, Heer. Wee mij, met wie ben ik te vergelijken? Niet ben ik te vergelijken met deze grond, want zelfs deze grond brengt haar vruchten voort op haar tijd en prijst U, Heer.'
En kijk, een engel van de Heer kwam naar haar toe en zei: «Anna, Anna de Heer heeft je gebed verhoord. Je zult zwanger worden en een kind krijgen en de hele wereld zal over je nakomeling spreken.» En Anna zei: «Zo waarlijk als de Heer, mijn God leeft, wanneer ik een kind zal krijgen, jongen of meisje, ik zal het aan de Heer mijn God opdragen en het zal hem dienen al de dagen dat het leeft.» En kijk, er kwamen twee boodschappers die haar zeiden: «Kijk, Joachim je man komt eraan met zijn kudden, want een engel van de Heer is naar hem afgedaald en heeft gezegd: «Joa chim, Joachim, de Heer God heeft je gebed verhoord. Ga hier weg, want je vrouw Anna zal zwanger worden.»
En Joachim trok onmiddellijk weg, riep zijn herders en zei tegen hen: «Breng me hier tien lammeren, gaaf en zonder gebrek, en ze zullen voor de Heer, mijn God zijn. En brengt me ook twaalf malse kalveren en die zullen voor de priesters en de raad van oudsten zijn en honderd bokjes voor heel het volk.» En kijk, Joachim kwam met zijn kudden en Anna stond bij de poort en zag Joachim komen en vloog naar hem toe, omhelsde hem en zei: «Nu weet ik dat de Heer me rijk gezegend heeft want, kijk, de weduwe is niet langer een weduwe en ik die geen kinderen had, zal een kind krijgen.» En Joachim bleef eerst een dag thuis.
De volgende dag bracht hij zijn gaven en hij zei bij zichzelf: «Als God de Heer mij genadig is zal de hoofdband van de priester mij dat duidelijk maken.» En Joachim bracht zijn gaven en toen hij het altaar van de Heer besteeg, lette hij op de hoofdband van de priester. En hij merkte geen zonde bij zichzelf op. Toen zei Joachim: 'Nu weet ik dat God de Heer me genadig is en mij al mijn zonden vergeven heeft.» En hij daalde gerechtvaardigd uit de tempel van de Heer af en ging naar huis. Haar maanden verstreken en in de negende is Anna bevallen. En ze zei tegen de vroedvrouw: «Wat is het.» En de vroedvrouw zei: «Een meisje». Toen zei Anna: «Mijn ziel is deze dag grootgemaakt.» En ze legde het kind neer. En toen de dag daarvoor was aangebroken heeft Anna zich gereinigd en gaf het de borst. Ze noemde haar Maria.
Proto-evangelie van Jacobus
|